Skåbu – nabij Tvedestrand

Zaterdag 24 juni
De wekker staat om 7 uur en ruim een uur later zitten we op de fiets. De weersvoorspellingen voor vandaag zijn goed. Na 4 km komen we door het dorpje Skåbu, met een supermarkt die om 9 uur opent. Na ruim 10 km asfaltweg, die tegen onze verwachting in vooral dalend is, wordt het halfverhard. Hier begint de Jotunheimvegen en wordt het klimmen. Het is warm, nu nog wel. Zout prikt op mijn gezicht. Dennenbos, kleine berkenbomen, vliegen, muggen, vlaktes met uitzichten op bergtoppen kenmerken deze omgeving.

Na 30 km, op ongeveer 1200 meter hoogte, als we het grootste deel van de te overwinnen hoogtemeters gehad hebben, lunchen we bij een geschikte platte steen, die als een mooi zitplateau voor ons klaar staat. Met het zonnetje half in de rug en in de luwte hebben we geluk, want kort erna is het een stuk winderiger. Dat blijft zo tot ver op de weg noordwaarts richting Vågåmo.

Bij een berghotel strijken we neer. Beschut in het zonnetje, met uitzicht op een bergmeer, genieten we van koffie, warme chocomel en Sjokoladekake. Ruiters schuiven bij ons aan tafel, waaronder een man van 71, die over twee weken ook nog een flinke fietstocht (Jotunheimen Rundt, 430 km, 4600 hoogtemeters) gaat maken. Hier overnachten is aanzienlijk duurder dan de camping met huisjes afgelopen nacht. Een huisje kost rond de 850 kronen (rond de 90 euro) en voor ongeveer 1195 per persoon kan men in het hotel slapen inclusief ontbijt en eten.

We menen dat de weg die we straks noordwaarts nemen, voorkomt in een film die we afgelopen jaar gezien hebben. Om welke film het gaat weten we niet meer en de mensen hier weten het ook niet; iemand noemt dat het mogelijk  “Coldplay” is.

De route gaat verder door een prachtig gebied langs meren en met zicht op bemoste stenen, kale vlaktes en al dan niet besneeuwde bergtoppen. Het laatste deel van deze onverharde weg zien we als een lijn voor ons uit slingeren. Het duurt nog een flinke tijd alvorens we de weg die we noordwaarts gaan nemen, en die we ook al zien liggen, bereiken. De wind helpt niet mee; deze voelt fors en is schuin tegen.

Na 55 km op de teller, dus na 45 km op deze halfverharde weg, bereiken we de afslag. In het begin voelen we inderdaad het duwtje in onze rug waar we op hoopten. De wind is onrustig en vlagerig. Als een auto passeert, voelen we daarna een klap. We klimmen. Hier is het nog kaler, met alleen grote brokstukken steen en bergtoppen om ons heen. De weg is kaarsrecht, gelukkig wel wat golvend, anders zou het snel saai zijn. De weg is drukker dan we verwacht hadden.

Een waarschuwingsbord voor rendieren….kort erna worden we beloond met zicht op vier rendieren, die later enigszins richting ons lopen en een stukje meelopen. Leuk! Nu ik deze zie, denk ik toch dat ik een paar dagen geleden dan elanden gezien heb. In het korte moment dat ik ze zag, oogden ze groter.

In de luwte van een auto op een parkeerplaats eten we pinda’s en rozijnen. We besluiten de campings nabij Maurvangen te laten liggen. Vanaf hier zien we totaal vier campings en twee maal een campingveld waar je tegen lage kosten en zonder echte voorzieningen kunt verblijven. Telkens bedenken we of we daar dan stoppen of nog doorgaan. Op zich willen we nog wat verder komen, wat gezien het tijdstip, prima kan. Mogelijk is het beneden ook weer wat warmer; met de wind is het fris. Randsverk of een wildkampeerplek is dan een optie.

Intussen is de omgeving weer begroeid en is het al wat warmer. De zon laat zich de laatste uren zien, wat erg fijn is bij deze kou. Onverwacht doemt een bordje “camping” op; laten we verstandig zijn en stoppen na 96 km in de benen te hebben. De camping ligt heel mooi in een bos, wat verder van de weg gelegen. Ondanks dat er friet, pizza en eenvoudige snackschotels verkocht worden, koken we zelf. In het gebouw is er sprake van enige vergane glorie. Wel is er een keuken beschikbaar. Buiten is een mooi terras.

De film, waarvan we ons de naam eerder niet konden herinneren en die hier mogelijk in de buurt is opgenomen, heet “In order of disappearance”. Deze speelt nabij het zuidelijker gelegen Beitostølen, maar mogelijk is er noordelijker gefilmd. We herkennen het niet. Het kan zijn dat het mogelijke hoogtebordje van de bergpas, waaraan een lijk vastgebonden wordt, tijdelijk geplaatst is.

Zondag 25 juni
Het eerste deel vandaag voert de weg langs mooi beboste hellingen. In Randsverk halen we bij een kleine Coöp, die daar pal naast een camping ligt, wat boodschappen. Gisteravond realiseerden we dat het vandaag zondag is. Via Google ontdekten we dat deze winkel vandaag open zou zijn en de supermarkten in het verderop gelegen Lom gesloten.
Kort spreken we een Noor die op zijn racefiets in 13 dagen van het zuidelijkste plaatsje Lindesnes, waar hij gestart is, naar de Noordkaap wil fietsen. Dat betekent dat hij dagelijks zo’n 200 km moet fietsen. Hij heeft een rugzak bij zich en slaapt onderweg zowel in een bivak slaapzak als hotels. Zijn “dope” bestaat uit koffie en nu een snicker en cola.

Ik heb alweer trek in wat te eten. ’s-Avonds gaat het eten er goed in, maar overdag zeker ook. Helemaal als ik nog niet geheel in een goed fietsritme zit, gaan mijn gedachtes uit naar wat te eten. En er is altijd wel even een momentje dat het minder soepel gaat. Het helpt mentaal, als we al wat kilometers weggetrapt hebben; dat geeft vertrouwen.

Soms staan er hoge palen als omheining bij huizen. We vermoeden dat deze in de winter helpen oriënteren als er een dikke sneeuwlaag is. Het meer is glad als een spiegel, wat een prachtige weerkaatsing van het landschap oplevert. Vlak na het maken van de foto, is dat moment over.

De weg is eerst rustig, maar dat is vlot anders. Nabij Vågåmo slaan we al eerder een klein weggetje westwaarts in, dat parallel loopt aan de drukkere weg langs de rivier. Na een km of 2 staat dat het vervolg doodlopend is. We checken dit bij een man die bezig is in de tuin. Hij bevestigt dat we er niet langs kunnen; hij heeft het wel eens gedaan met de fiets, maar zou het niet weer doen. Deels ontbreekt er een pad. Hij is daar al een jaar of 6 niet geweest, dus weet niet hoe het nu is. Nu hij gepensioneerd is, woont hij de helft van het jaar in Thailand, met zijn vrouw. Hij heeft kinderen uit zijn eerste huwelijk. Of hij met zijn Thaise vrouw ook kinderen heeft, komt niet ter sprake.

Gezien zijn ervaringen, gokken we het er niet op en gaan een stukje terug om daar aan te sluiten op de reguliere weg door een mooi dal met een meerachtige rivier.

Buiten het seizoen zou over de weg naar het westen tussen Vågåmo en Lom ongeveer één auto rijden (per uur), in het hoogseizoen erg veel. Vooral Nederlanders en Duitsers, maar ook Belgen weten dit gebied te vinden. Wij zien toch ook erg veel Noorse nummerborden. Of is dat omdat het weekend is?

Ik begin me af te vragen of de route naar Sognefjell wel zo prettig is om te gaan fietsen. Niet alleen vanwege de temperatuur van één graad die voorspeld is -en mogelijk koud kan voelen bij sterke wind en afdaling- en vanwege de fikse klim die ons te wachten staat, maar ook vanwege het verkeer.

Als we later bij het plaatsje Frisvoll een zandweggetje inschieten en de autoweg verlaten, vinden we bij een schuilplek een heerlijke ‘veranda’ waar we, zittend in de zon, lunchen. We bekijken de kaart en de alternatieven. Strynefjell zou een optie zijn, echter blijkt het daar morgen te sneeuwen. We besluiten toch de Sognefjell te gaan proberen.

In Lom blijken de supermarkten wel degelijk op te zijn. En de bakker, die vanochtend werd aangeraden door de dame van de camping, ook. Uiteindelijk bezoeken we zelfs drie supermarkten. Samen gaan we naar de eerste om de voorraad wat aan te vullen. Michiel kijkt vervolgens bij de Kiwi of er bananen en vegetarische producten zijn. Onbedoeld beland ik in een derde supermarkt; we dachten dat het de entree van een sportzaak was, waar ik wilde kijken naar wat betere handschoenen. De huidige bleken op de Grimsdalsvegen nog kou door te laten.
De supermarkt blijkt veel keuze te hebben qua vegetarisch producten. Verder koop ik zuurkool en aardappelpuree. Een SD-kaartje verkopen ze niet.

Na het bekijken van het staafkerkje fietsen we via een rustige route verder. Deze weg richting de Sognefjell is mooi en wordt nauwer, als een kloof. Achter ons trekt de lucht dicht. Deze ligt stijgende 18 km vanaf Lom leggen we in vlot tempo af; Michiel voorop en ik volg hem in zijn kielzog. Er valt een enkel spatje.

Spoedig arriveren we bij de camping annex jeugdherberg. Voor de campinggasten hebben ze geen keuken beschikbaar, wel mogen we ons prakje binnen opeten.
Als we na het registreren buiten komen, regent het harder en kort erna hoost het. We besluiten een kamer te huren in de kruip-door-sluip-door jeugdherberg. Mooie bijkomstigheid is dat we nu de keuken van de herberg mogen gebruiken.

Een man, in de gemeenschappelijke ruimte van de herberg, die met nog een man en twee jongens hier aan het skiën is, vertelt dat in Bergen een record gebroken is met 26 dagen regen achtereen.

Maandag 26 juni
De Coöp gaat net open als we om 9 uur op de fiets stappen. We hebben nog voldoende voorraad. Michiel ziet dat een boutje van de rem los zit; fijn dat nu te ontdekken met de afdaling later deze dag, van 1434 naar 0 meter, in het vooruitzicht.

Eerst zullen we gedurende 31 km klimmen van 580 naar 1434 meter, met een gemiddeld percentage van 6%, met halverwege de klim nog een daling van ruim 100 meter, waarna de klim wordt voortgezet. Gestaag en in een goed ritme kruipen we omhoog langs poedersuikerbergen…. die sneeuw moet onlangs nog gevallen zijn. Bij één van de uitzichtplekken maken we een foto. Een “blik sardientjes”, zoals ik de bussen met toeristen gekscherend noem, stopt. “Die hebben twee minuten om te fotograferen”, mompel ik… ik zit er niet ver naast… 3,5 minuut later ronkt de motor van de bus weer.

Regelmatig steken bestuurders hun duim omhoog of zwaaien ze. De weg is gelukkig rustiger dan verwacht; er is zeker wel verkeer -vooral toeristen-, maar de weg is smal en niet recht, dus scheuren zit er niet in. Voor ons is dat heel prettig. Bij een mooi bergmeer eten we brood; we willen de honger voor zijn en mogelijk dat het straks te koud is voor pauzes.
Schapen steken een stukje sneeuw over; een mooi gezicht. Flinke stukken sneeuw liggen hier nog; soms fietsen we tussen sneeuwwanden door.

 

De volgende brandstofpauze -met pinda’s en rozijnen- is min of meer op de top, in de luwte bij de berghut Sognefjellshytta; men is er aan het cross country skiën, sommigen in korte broek. Van een dame horen we dat ze, als de kinderen vakantie hebben, vaak direct hierheen gaan om een paar dagen te skiën. Sinds een week zijn de kinderen hier vrij.

We kleden ons warmer voor de afdaling. De regenjas en handschoenen hadden we al aan. Nu volgen de armstukken, buff, fleece en de zonnebril tegen de wind en het felle licht in de witte omgeving.

De kou en wind vallen mee; zonder problemen kunnen we de omgeving rustig in ons opnemen en op de camera vastleggen. Na de inspanning van het klimwerk, is het tenslotte zonde te snel weer af te dalen.
Het gaat 10 km op en neer, als een golvende glijbaan in een pretpark. Vervolgens dalen we fors met een gemiddelde van 8-10%.

Het soms oogverblindende wit, verandert in oogverblindend vers groen. Het wegdek is nu hobbelig, dus is het van belang scherp te zijn. De wind is soms vermoeiend om te horen. Het is 16 uur als we na 60 km beneden aan het Lustrafjord (een zijarm van het Sognefjord) bij een parkeerplaats wat eten en ons afpellen; een deel van de kleding kan nu weer uit.

Mensen zitten in de zon voor hun camper. Een 30 km lang idyllisch weggetje lansg het fjord naar Urnes volgt. Onderweg passeren we 3 tunnels van ongeveer 300, 1000 en 300 meter lang. De eerste is wel heel donker… we bedenken dat we de zonnebrillen nog op hebben. Gelukkig is de verlichting van de fiets aardig, is het niet druk en is er in de tunnels geen ander verkeer. Slechts 10 auto’s komen we deze weg, die min of meer doodloopt, tegen. Daarna kan men met een pont oversteken. De meesten zullen daarom de weg nemen aan de andere kant van dit fjord.

“Wat maakt het voor mij hier idyllisch” mijmer ik. Dat het een rustig, smal, mooi begroeid weggetje is met her en der leuke huisjes. En natuurlijk speelt het een rol dat het droog is, de zon schijnt en de wind in de rug is.

Langs de weg is een minimarket, oftewel een koelkast met lokale producten. Betalen gebeurt op basis van vertrouwen. Mooi is dat; de eerste keer dat ik dat meemaakte was toen ik als tiener in Denemarken fietste.

Ik vind het opvallend dat de Noren geen hoogtebordjes op hun passen plaatsen. Voor ons eerder vandaag dus geen foto’s met ons trots naast het bord. Michiel voegt toe dat het ook opvallend is, dat het in Noorwegen vaak heel netjes is. En het geschetter van sommige vogels klinkt als claxons of scheidsrechtersfluitjes.

In Urnes ben ik aan eten toe. Voor het oude staafkerkje moeten we nog klimmen. Eerst bereiden we zuurkool op een caravan-picknickplek. Onder ons maait een boer het gras dat er nu uitziet als een aantrekkelijk kampeerveld. Helaas vertrekt hij en kunnen we hem niet om toestemming vragen.
Een steil weggetje, langer dan verwacht, leidt ons 80 meter omhoog naar het oudste staafkerkje van Noorwegen. Het staat op de lijst van Unesco en wordt met camera’s bewaakt.

Michiel vindt een eventuele wildkampeerplek, met gras tot boven de knieën. Eerst bekijken we of het openbaar toilet open is en mogelijk kunnen we polsen bij de bewoners waar we de tent op kunnen zetten. Een man vertelt dat we mogelijk kunnen staan op de heuvel naast de kerk -de plek die Michiel zojuist gespot had-; hij verwijst ons naar een dame die erover gaat.
Toevallig komt ook net een vrouw uit het huisje lopen waar toegangskaarten voor de kerk verkocht worden om te vragen of ze ons kan helpen.

Ze blijkt Nederlandse te zijn en werkt hier sinds 2009 elke zomer. Ook zij verwijst naar dezelfde vrouw en dezelfde plek. Wel geeft ze aan dat ze adders gezien heeft op die plek. Hmm, fijn vooruitzicht, met ook nog kans op teken.

Marit, een vriendelijke vrouw, doet open. Zij geeft aan dat we boven mogen staan, of hier, naast haar huis, op het veld dat net gemaaid is. Het laatste vinden we aantrekkelijker en is bovendien dichterbij de toiletten. Ze verzoekt ons geen open vuur te maken of branders te gebruiken. We kunnen haar geruststellen dat dat niet meer nodig is.

Als we later geld willen aanbieden, weigert ze dat. Op ons verzoek krijgen we wel haar postadres zodat we een kaartje kunnen sturen. Haar man is in het najaar gestorven. Ze heeft het er zwaar mee. Nu heeft ze het druk met de kerk en het gidsen; soms is het te druk, wat soms juist ook goed is vanwege het verdriet. Haar man kwam hier vandaan, zij uit het oosten. In de winter gaat ze vakantie houden op Gran Canaria.

Dinsdag 27 juni
We hebben de wekker gezet, zodat we de pont van 7.45 uur kunnen halen, anders is het wachten tot 10.30 uur. De tijd gaat sneller dan verwacht. Michiel daalt vast richting pont, ik volg. Een tractor voor me vertraagt mijn tempo. De schipper wacht op mij; al ben ik niet te laat. Hij vertrekt stipt op tijd. Een moeder en waarschijnlijk een schoolgaand zoontje, zijn de enige anderen aan boord.

Een kwartiertje later staan we in Solvorn en vinden we een zonnig terras bij een winkeltje. Het koffiezaakje is gesloten. We besluiten dat we hier wel kunnen ontbijten. Intussen schrijf ik wat aan het verslag.

Kort erna komt een man ons koffie brengen. Wat vriendelijk! Hij blijkt de schipper van de pont. Hij is meerdere malen met een camper in Nederland geweest en kent o.a. Amsterdam, Rotterdam en Delft.

We besluiten dat we graag de pont willen nemen vanaf Leikanger naar Flåm; die gaat om 12.20 uur. Dat betekent dat we nu wel moeten opstappen. Eerst is het een km of 3 flink klimmen, vervolgens gaat het in vlot tempo naar Sogndal. Volgens google zijn hier meerdere supermarkten. Ik duik de Rema in -ik hoop dat we ons dit qua tijd kunnen veroorloven- en ben benieuwd hoe de vervolgroute verloopt. Het wegdek is vast goed, de wind en het eventuele klimwerk zijn een verrassing. Een pak appelsap en een kaasbroodje maken we meteen soldaat. Bananen, broodjes en avondeten verdwijnen in de tassen.

Rond 12 uur, na lekker doorfietsen en nog een banaantje onderweg, zijn we op locatie. De veerboot is alleen voor voetgangers en fietsers; onze fietsen staan geparkeerd tegen de kofferrekken. De medewerker zegt één i.p.v. twee fietsen te rekenen. Met een hoog tempo vaart de veerboot door.

Zowel het weer als de omgeving zijn prachtig. We komen in een over toeristisch Flåm aan; niet eerder zagen we zulke drukke gebieden deze reis. De Holland-Amerika-lijn ligt hier aangemeerd… wat een schip en wat een hoeveelheid mensen van allerlei nationaliteiten.

We genieten ervan dit gade te slaan vanaf een plek in het zonnetje. Ik zie een bepakte fietser en spreek hem aan. Hij komt uit Oekraïne en is met nog een jongen. Ze komen vanaf de in de bergen gelegen Rallarvegen en zijn op weg naar Aurland. Ze lijken geen behoefte te hebben aan een praatje.

Een Chinese man uit Canada spreekt ons aan. Hij is hier vanuit Bergen per boot gekomen, wil hier omhoog fietsen en dan per trein terug naar Bergen gaan. Hij is twee maanden onderweg en heeft er 1000-1500 km op zitten door Litouwen, Estland, Letland, Finland, Zweden en Noorwegen.
Vanaf Bergen gaat hij naar Oslo om daar de bus naar Gothenburg te pakken,  naar Kopenhagen te fietsen, de pont te nemen naar Polen en dan naar Warschau te fietsen om weer terug te fietsen. Zijn verhaal houdt hij bij op Crazyguyonabike. We zien iemand met een fiets en trailer aan boord gaan.

Michiel zoekt uit hoe het met de treintickets zit van de Flåmsbana naar Myrdal. Niet voor alle tijden vandaag en morgen is nog plek beschikbaar. Als we vandaag gaan, betekent het dat we weer geen camping en dus douche hebben. We besluiten morgenochtend om half 8 te gaan. Het is lekker om hier een avondje te blijven hangen. We installeren ons op de grote, maar gezellige, terrassencamping, nemen een douche en ik spoel de kleding uit.

Vlot gaan we terug naar het centrum om daar te genieten van de zon, de mensen en het softijs. De temperatuur zakt vlot zodra de zon achter de steile bergwanden verdwijnt… dat hadden we even over het hoofd gezien. Veel mensen zijn er niet meer; de meesten zitten weer op het cruiseschip dat dadelijk weer uitvaart en de softijstentjes zijn reeds gesloten, nu de grootste klandizie vertrekt.
Dan halen we wel een pak ijs in de supermarkt en eten zodoende ieder twee cornetto’s.

Ditmaal ontmoeten we een jonge Deense fietser. Drie weken geleden is hij vanuit zuid Denemarken vertrokken. Hij gaat naar Trondheim en wil vervolgens naar Zweden, Finland, Oost-Europa, richting Spanje waar hij in de winter wil zijn en mogelijk gaat werken. De fiets is licht bepakt, hij kampeert veel wild en vindt de groente en het fruit hier duur. In het (zuid)oosten hoopt hij daar minder geld aan kwijt te zijn. Ik zal hem nog wat warmshowers hosts in Slovenië mailen.

Vlot keren we terug naar de camping. De luchtige flaneerkleding wordt voor iets warmers geruild en we vullen de avond met koken, verslag typen en spullen klaarmaken. Het is leuk de kookkunsten van andere te zien en de geuren op te snuiven, zoals taco’s en Aziaten die m.b.v. onder meer een meegebrachte rijstkoker een maaltijd bereiden.

Woensdag 28 juni
N.a.v. verhalen op de Wereldfietser lijkt het ons niet verstandig naar Myrdal (865 meter boven ons) te fietsen, omdat het aan het eind stenig en zeer steil -tot 20%- is. Tijdig zijn we bij de trein en gelukkig mag Michiel helpen de fietsen in de trein te zetten, zodat we enige invloed hebben hoe ze vervoerd worden. 95% van de reizigers is van Aziatische afkomst.

De trein kruipt het groene dal uit; het is een mooie route. Onderweg stoppen we plotseling, waarbij ons deel in de tunnel staat. Het blijkt dat je eruit kunt om de waterval te bekijken. Na drie kwartier zijn we op de bestemming in Myrdal. De beenstukken gaan aan en na een bezoek aan het stationstoilet, stappen we weer op de pedalen.

Het eerste stuk is behoorlijk keiig en steil. Het sluit aan op de weg met haarspeldbochten, die we nu niet hebben hoeven fietsen. We komen een oudere Italiaanse fietser uit tegengestelde richting tegen; hij heeft gisteren een stukje met de trein gedaan i.v.m. de sneeuw.

Aan een picknicktafel bij een hotel eten we de meegenomen aardappelsalade. Even later komen we twee Belgen tegen die, voor een week, fietsen met Ortlieb achtertassen gehuurd hebben. Ook zij hebben op de Rallarvegen een stuk getreind i.v.m. de sneeuw en vervolgens bij een hut overnacht. De Italiaan van eerder deze ochtend, is door gefietst, omdat hij niet wist dat hij bij de hut proviand had kunnen krijgen. We weten nu nog niet dat we bij dezelfde hut vanavond de tent zullen gaan opzetten.

We zien diverse mountainbikers, 3 licht bepakte fietsers (waarschijnlijk op huurfietsen) en twee jongens met bepakking op de fiets. Ook de Nederlandse man en zijn vrouw, die we al op de camping hadden ontmoet, komen naar boven.

Eerst is het groen met varens, boompjes, struiken, wat gepaard gaat met stroompjes water en het altijd aanwezige geluid van dat water. Vandaag zien we muisachtigen, vermoedelijk lemmings. Het landschap verandert in zwart-wit van de bergen en de sneeuw. We weten dat een deel van de weg niet sneeuwvrij is en komen inderdaad stukjes weg tegen waar nog sneeuw ligt.

Het is te doen om de fietsen erdoorheen te krijgen en wagen het erop verder te gaan. Soms loopt een van ons een stukje verder om te kijken hoe het vervolg lijkt. Bij de derde keer sneeuw is het handig dat we elkaar helpen om de fietsen eroverheen te krijgen. Kort erna is een langer stuk van pakweg 100 meter nog besneeuwd. We duwen samen de fietsen door de sneeuw of halen de bagage eraf; sowieso is het dus dubbel lopen.

Het is mooi en nu ook heel rustig, we komen geen andere mensen meer tegen. Het weer is prima; de lange kleding dragen we als bescherming tegen de zon, koud is het niet.
We vragen ons wel af, hoe lang dit zo door blijft gaan, of het reëel is om door te gaan. We rekenen uit dat als het tot Finse zo blijft doorgaan -hemelsbreed hebben we 3 zware kilometers met sneeuw afgelegd en we moeten er nog 12- we dan mogelijk 10 uur nodig hebben. Bovendien zouden we nog 100 meter moeten stijgen, alvorens weer te dalen; dat betekent waarschijnlijk dat we nog meer sneeuw gaan tegenkomen.

Of we de tent ergens kunnen opzetten weten we niet en of we morgen onze proviand weer kunnen aanvullen evenmin. Verder is het de vraag of we het pad blijven herkennen; we moeten niet wegzakken via de sneeuw in het niets.

Het moment is gekomen… we besluiten dat het leuk en stoer is geweest dit te proberen, maar het niet reëel is door te gaan. Alvorens terug te keren, breken we eindelijk de chocokoekjes aan die we al zeker 1,5 week in de tas hebben. Dit vullen we aan met pinda’s om een eventuele hongerklop na de suikers, tegen te gaan.
Het duurt 1,5 uur eer we de 3 km terug afgelegd hebben. De heenweg heeft ongetwijfeld langer geduurd, vanwege de vele fotostops. We komen slechts enkele werklui tegen, die zich, naar later blijkt, waarschijnlijk bezig houden met een kapotte telefoonmast, die ervoor zorgt dat we geen bereik hebben met onze telefoons?

Michiel kijkt hoe laat de trein richting Oslo, dus Finse gaat. Ik zie hem terug komen rennen. Vermoedelijk gaat er dan zo een trein en dus sleep ik onze fietsen alvast een stukje de helling op richting het station. De trein gaat over 6 minuten, wat haalbaar moet zijn. Net op tijd komen we aan op het perron. Als we de tijdstabellen nader bekijken, blijkt helaas dat de trein van dit tijdstip, alleen op de vrijdagen in de winter gaat.

Tot onze verbazing gaat de eerstvolgende trein pas morgen om 14.20 uur. We lummelen nog even bij het station, maken gebruik van het toilet, vullen de bidons en Michiel doet zijn lenzen vast uit. De wachtruimte en het toilet worden flink verwarmd; waarschijnlijk hebben ze hier een overschot aan energie.

Een werkman beaamt de tijden van de treinen. De tent kunnen we ergens opzetten en hij geeft aan dat er een berghut is; wat we al wisten van de fietsers van vanochtend. We spreken een vrijwilliger van de berghut en nemen een kijkje binnen. Het is goed georganiseerd; en wat een bijzonder systeem waar de betaling van de hut en proviand gaat op vertrouwen; er is geen personeel dat het geld int. Het is inmiddels flink afgekoeld, na de warmste dag tot nu toe op deze hoogte. Bij de tent koken we in de luwte van een (op dit moment onbewoond) huisje.

Donderdag 29 juni
De wind zwelt aan en daarmee is de nacht onrustig. Het is spannend hoe de tent zich dan houdt, temeer het doek niet zo sterk meer blijkt te zijn. Met beleid pakken we de tent in.
Omdat we niet weten hoe het vanaf Finse gaat, qua wind en weer -het is minder zonnig dan gisteren-, kopen we in de berghut knäckebröd, een blikje mais en een blikje champignons als back-up. Afgelopen nacht hebben twee vrouwen in de hut geslapen. Een van de twee vrouwen heeft ‘s-nachts vanuit de hut een foto van onze tent in de harde wind gemaakt.

Tot de vertrektijd vermaken we ons in de verwarmde stationshal met warm water bij de toiletten. Er is volop tijd voor het opfrissen van onszelf, scheren, tanden poetsen en stoken, afwassen, kleding wassen, fietsen schoonmaken, de kaart bestuderen, het opladen van de apparaten en het kletsen met wandelaars.
Een wandelaar heeft het besneeuwde traject vanaf Finse naar hier gelopen en er 1,5 dag over gedaan. Wij zouden de besneeuwde delen telkens dubbel moeten lopen, omdat de fiets compleet met bagage te zwaar is. Dat betekent inderdaad dat het niet reëel geweest zou zijn dit traject met onze fietsen af te leggen.
De trein heeft een beetje vertraging. Als je mee wilt moet je zwaaien.

De conducteur vraagt of we een reservering hebben. Dat is niet het geval en kon ook niet omdat het internet eruit lag i.v.m. een gebroken mast. De trein zit vol. Ik geef aan dat we al sinds gisteren wachten en vraag of we alsjeblieft mee kunnen. Dat mag, evenals de anderen, waaronder een Frans gezin dat hier ook instapt. Het traject naar Finse gaat grotendeels door een tunnel en duurt een kwartier.
Daar zien we direct drie fietsers die de tegengestelde kant op gaan. Een Portugees en twee Italianen, allen woonachtig in Duitsland. Zij fietsen een week van Oslo naar Bergen en kamperen altijd in het wild.

Als we lunchen passeert een Duitse fietser, die naast bagage achterop ook nog een rugzak en fototas draagt. Kort erna volgt een Belg die de route van een eerdere groepstocht van de Wereldfietser rijdt. Ondanks de tegenwind gaat het soepel. Het onverharde deel is hier van goede kwaliteit. Het is mooi, maar minder spectaculair dan het traject van gisteren. Het is heerlijk om in alle rust te rijden. De schapen zijn minder schuw -waarschijnlijk zijn ze fietsers gewend- en hebben de luwte van een tunnel opgezocht.

Aan het eind van de Rallarvegen, in het plaatsje Haugastøl, pauzeren we buiten bij een fietsen(verhuur)zaak; vele fietsen staan hier te wachten op toeristen.

Ik duik de winkel nog even in en loop tegen een mooi betaalbaar Merino wollen shirt aan.
De overige ruim 20 km gaan op en neer over een geasfalteerde weg naar Geilo, al is het vooral dalend. Michiel voelt zich leger, waarschijnlijk een combinatie van de inspanning van gisteren en het feit dat we gisteren rustig aan deden met onze eetvoorraad; niet wetend hoeveel tijd het zou gaan kosten alvorens weer de bewoonde wereld met winkels te bereiken. Of het komt gewoonweg omdat het de ene keer soepeler gaat dan de ander keer.
Ik ga voorop tegen de wind in. In Geilo is een warmshowers adres, dat helaas op “niet beschikbaar” staat. Toch stuur ik nog een sms’je; wie weet kunnen we haar morgenochtend wel ontmoeten. Het is opvallend dat meerdere van de warmshowers hosts die we thuis bekeken hadden en leuk overkwamen, nu afgemeld zijn. Kennelijk zijn ze nu ook met vakantie.
Bij een Rema doen we boodschappen, waar we ook weer het lekkere Deense roggebrood vinden. Op de camping spreken we kort met een Nederlandse motorrijder. In de vlotte modus zetten we de tent op, richten we de slaaptent in, en eten en douchen we.

Vrijdag 30 juni
7.15 uur branden we de tent uit. In de zon ontbijten we; behalve brood hebben we er een gekookt eitje en blauwe bessen bij.

De motorrijder vertelt dat hij onlangs een situatie had dat hij zijn motor niet kon houden en moest afstappen. De motor lag op de grond. Deze weegt zo’n 200 kilo inclusief de bagage. Daar heb je 2-3 mensen voor nodig om die weer overeind te krijgen. Onverwacht stond daar een afgetrainde Italiaan, een soort hulk, die in zijn eentje de motor recht overeind tilde. Vervolgens liep de Italiaanse hulk naar een vrachtwagenchauffeur die passief was blijven zitten en riep tegen hem “you asshole” .

Voor het eerst deze vakantie is het zo strak blauw dat er geen enkele wolk aan de lucht is. Later, aan het eind van de dag, zien we 22 graden op de teller.

Naast de reguliere boodschappen halen we handcrème en pleisters. Onze handen en gezicht drogen flink uit en het kleine potje dat we bij ons hebben is niet afdoende. De ontstane kloofjes voorzie ik van een flinke klodder calendula met daaroverheen een pleister.

Het eerste stuk is klimmen. Langs de weg staat zelfs een bord met een hoogteprofiel van de komende 40 km. Na 18 km kiezen we voor een geel, waarschijnlijk rustig, weggetje, langs de noordkant van het meer. Het is inderdaad rustig en het gaat door dennenbos met soms zicht op het meer met her en der eilandjes. Aan de ander kant van ons de berghelling. Als er verkeer is, rijden sommigen wel hard.

Bij een mooi punt, met zicht op het meer, zetten we onze stoeltjes in elkaar en maken een heerlijk broodje met pesto, tomaat en mozzarella. We doezelen bijna weg. Mijn gedachten gaan naar ons heerlijke huisje -niet dat ik nu terug wil- maar wel dat ik er heel blij mee ben.

De weg gaat flink op en neer, soms met zeer steile stukken. Een bepakte fietser -op een Cube fiets- komt naar beneden; het blijft bij een begroeting.
Tijdens een drinkpauze komen schapen naar ons toe; de fiets en tas worden besnuffeld en als krabpaal gebruikt. We moeten oppassen dat de fiets niet omvalt.

Het dorpje Tunhovd -het laatste stuk hiernaar toe is knetterstijl- is heel schattig. De weg is hier nog wat smaller. De supermarkt laten we links liggen; we hebben nog voldoende. Aan het eind van het meer, bij de dam, kiezen we wederom voor een kleiner weggetje. Dat lijkt ons motto vandaag.

Vanaf hier is het 10 km afdalen, in gedachten betitel ik het als de bloemenweg. De bermen staan vol in bloei met de gele boterbloemen, witte bloemen, paarse bloemen. Vrolijk en lieflijk.

Aan het tweede deel van de weg zijn werkzaamheden met diverse malen stukken grind i.p.v. asfalt. Eenmaal bij een grotere weg aangekomen moeten we klimmen naar Rødberg. Hier blijkt een Kiwi supermarkt… in dat geval zien we onze kans schoon… een biertje zal straks wel smaken.
Terwijl ik buiten op het bankje wacht, zie ik een aantal dikke mensen. Een fietstocht kan voor hen ook geen kwaad bedenk ik me; dat lijkt me beter dan de auto stationair laten draaien, terwijl je naar binnen gaat.

We klimmen verder. De fietsroute gaat aan de andere kant van de rivier verder. Het is onverhard en rustig. Na de 1e bocht zie ik een steil klimmend weggetje….”ahhh nee”, denk ik. Gelukkig blijkt dat we die niet hoeven te volgen en ons vervolg blijft tamelijk vlak.

Volgens de routeberekening van de GPS moeten we dit weggetje verlaten om de camping te bereiken. Als we de details in de GPS goed bestuderen, lijkt het dat we ook deze weg kunnen vervolgen en de camping via een bruggetje aan de achterkant kunnen bereiken. Voor de 3e keer vandaag kiezen we voor de rustige variant i.p.v. de reguliere doorgaande route. Een deel is onverhard, waarschijnlijk 8 km, het laatste deel is weer asfalt. Via een wandelbruggetje bereiken we inderdaad de bestemming. Een vriendelijke man staat ons te woord. Op de camping is zelfs vers gebakken pizza te koop.

Een Nederlandse man bewondert onze fietsprestaties. Hij gaat zijn zwager, die hier ook verblijft en soms fietstochten maakt, over ons vertellen. Wij genieten eerst in de zon van een biertje en chips, alvorens de tent op te zetten en te koken. Dat doen we op onze eigen kookstelletje; deze camping heeft geen keuken.

Zaterdag 1 juli
Pas om half negen worden we wakker. Het is mooi weer. Als we via het bruggetje de camping willen verlaten, spreken we Albert, de zwager van de man die we gisteren spraken. Hij houdt ook van fietsvakanties. In het verleden deed hij dat met zijn vrouw, maar die heeft nu last van haar knieën. Alleen fietsen en het alleen beslissingen moeten maken en problemen oplossen vindt hij ook zijn charme hebben. Hij zou eens naar de Middellandse zee willen fietsen.

Volgens onze papieren kaart en Google Maps staat het pad achter de camping in verbinding met de weg die naar het meer op de hoogvlakte klimt. De kaart in de gps kent het pad niet. We durven het aan deze rustige onverharde route die gestaag stijgt, te vervolgen. Na 12 km bereiken we inderdaad de asfaltweg. Omdat we ons erop ingesteld hebben, is de klim van ongeveer 500 hoogtemeters goed te doen. Wel is het warm en met name de vliegen zijn minder prettig; mijn bril dient als landingsbaan en als ik niet oppas, vliegen ze ook mijn mond in.

Na ongeveer 19 km vanaf de camping, heb we de steilste klim gehad en zijn we bij het meer. We zien een vuurtje en melden dit bij het berghotel. Het schijnt onder controle te zijn. Michiel neemt een magnum. We kletsen met Nederlanders die ons met de auto gepasseerd zijn tijdens de klim.

Het meer met de dam is mooi; we hebben zicht op bergen met o.a. groentinten van het mos. Een watervliegtuigje stijgt op. Aan het eind van het meer strijken we neer voor een lunch en nemen we de tijd om te lezen; ik suf weg. Het is hier relatief rustig. Bij de dam nabij het berghotel hoorde ik zelfs geen wind.

We stijgen nog een stukje over een mooie bergvlakte met bemoste keien en met her en der vakantiehuisjes. De afdaling van meer dan 25 kilometer, die ons net geen 1000 meter lager brengt, is eerst tamelijk steil over niet al te effen asfalt. Later daalt het geleidelijker en trappen we, zonder inspanning, nog wat bij i.v.m. de tegenwind. In de rivier liggen grote gepolijste keien. Deels is het landbouwgebied, soms met weiden vol wilde bloemen.

We pauzeren om de omgeving in ons op te nemen en buigen ons over de kaart voor de vervolgroute. Het blijkt dat Michiel de kaarten van Zuid-Noorwegen niet mee heeft genomen; dan gaan we die hier regelen.

In Austbygdi verkopen zowel de Kiwi supermarkt als het tankstation geen kaarten en gastankjes. Mogelijk slagen we morgen in Rjukan, in de hoop dat een aantal winkels daar dan op zondag open is.
De camping op 1 km van het dorp op de route naar Rjukan komt massaal over. Voor de andere moeten we terug via het dorp. Deze is heel knus en ligt aan een meer, lijkend op een fjord, met mooie bergwanden die zich aftekenen tegen de lucht.

We raken aan de praat met een Nederlandse die hier nu 2 jaar gewoond heeft. Het plan is om een jaar terug te gaan naar Zwolle met haar gezin en dan te besluiten of ze zich in Noorwegen gaan vestigen of in Nederland blijven. Hij had een baan op de Internationale school gevonden, zij vond geen werk. Dat maakt het erg moeilijk voor haar, ondanks dat ze graag naar Noorwegen wilde. Integreren en contacten opdoen gaat hier langzaam.

Tot nu toe hebben we de campingeigenaren nog niet gezien. Nabij de ‘Resepsjon’ spreken we een Duitse meid die van plan was wat rond te trekken door Noorwegen, maar zo gecharmeerd is van deze plek dat ze is blijven hangen. Zij verblijft hier in een hutje aan het water. Een Tsjech is ook op zoek naar de campingbeheerder en denkt dat wij dat zijn.
We bellen het nummer dat ergens hangt. De eigenaren zelf zijn met vakantie, maar één van hun kinderen zal nog langskomen.

Dankbaar maken we gebruik van een eettafel bij het terras van een vakantiehuisje. Net als afgelopen nacht, heeft ook deze camping geen keuken.

Zondag 2 juli
Na een rustig avondje willen we vandaag tijdig vertrekken. De wekker staat op 7.30 uur. Na alles ingepakt te hebben, ontbijten we op een mooi plekje op deze mooi gelegen camping. De campingbeheerders hebben we niet meer gezien. Ergens hangt een tabel dat een tent en 1 persoon, 70 kronen kost. Omdat dit van de hele tabel het meest met ons overeenkomt, is dat het bedrag dat we, met een briefje, onder de deur schuiven. Hier wordt men meestal vooral voor de plek aangeslagen en een klein bedrag voor de personen.

De 30 km naar Rjukan gaan vrij vlot via het meer, al is het laatste stuk met flinke tegenwind. We komen de Duitse fietser Frank tegen die ergens de auto heeft geparkeerd en nu fietsvakantie aan het houden is. Hij is de Noorse fietser met fietstrailer tegengekomen, over wie we gisteren op de camping ook al hoorden van zowel de Nederlandse als de Duitse.

Bij de Kiwi vullen we de eetvoorraad goed aan. Helaas verkopen ook zij geen kaarten en gastankjes. Het prikbord met z’n nietjes, vormt een waar kunstwerk.

In mijn fietsspiegel zie ik de auto van de Nederlanders die we gisteren in het berghotel bij het meer spraken. Michiel schrikt van mij als ik hen begroet. Omdat we zo wat willen eten, stelt Michiel voor naar links richting de oever te gaan. Het lijkt mij handig eerst nog even langs de Shell, 100 meter verderop, te rijden voor kaarten. Dan kunnen we die tijdens de lunch bestuderen. Bovendien zou het me niet verbazen als de Nederlanders ergens gestopt zijn; net kon dat niet, omdat ze een rij auto’s achter zich hadden. En inderdaad staan zij nabij de Shell met bewondering op ons te wachten, omdat we hier al zijn.
We krijgen het over de kaarten en het blijkt dat ze de kaart hebben die wij zouden kunnen gebruiken. We mogen er wel foto’s van maken. En sterker nog, als ze de kaart in tweevoud bij zich hebben, mogen we de kaart zelfs hebben. Ze hadden de kaarten namelijk dubbel aangeschaft, zodat ze thuis beter overzicht hadden, zonder telkens de kaart te hoeven omdraaien. Beide exemplaren zijn mee, dus verdwijnt er één in onze tassen.
Ze, Ruud en Ria uit de omgeving van de Zaanse Schans, nodigen ons uit voor een drankje. Kort erna zijn we gezellig aan het kletsen op het terras van een sushitent.

Rjukan kent een bijzondere geschiedenis en andere wetenswaardigheden. In de oorlog wilden de Duitsers m.b.v. de productie van zwaar water van de waterkrachtcentrale -nu museum-, atoombommen vervaardigen. Het Noorse verzet lukt het de installaties te beschadigen, zodat de Duitsers er niet mee verder kunnen. Later slagen de Duitsers er in de installaties te herstellen.  Wanneer het verzet verneemt dat de hele voorraad zwaar water per veerboot naar Duitsland gaat, wordt de boot tot zinken gebracht. De boot ligt sindsdien op een diepte van 460 meter in het op een na diepste meer van Noorwegen. Deze hele operatie is in 1965 verfilmd. Michiel wist me dit al deels te vertellen en als we later verder klimmen, lezen we hierover op informatiepanelen langs te kant van de weg. Fietser Frank had ons gelukkig al gewaarschuwd voor deze klim en ook Ruud bevestigt dat we hier zo een klim tegemoet gaan.

Ruud en Ria hebben een artikel in hun vakantiemap bij zich, waarin verteld wordt dat hier bovenop de noordhelling spiegels zijn aangebracht, om in de winter het zonlicht op het pleintje te laten kaatsen, anders is er de hele winter nergens in Rjukan zon.

We nemen afscheid, maar zien elkaar kort erna bij het tankstation als we gas halen. Zij gaan straks met de kabelbaan naar boven en wij beginnen aan onze klim. Vooraf nemen we wat aardappelsalade en karnemelk. Niet al te veel, want dat ligt zwaar op de maag, zeker bij een klim. Er is de nodige wind vandaag.

De klim gaat redelijk goed, met mooi zicht op de energiecentrale. Bij de 350 meter lange tunnel nemen we de fietsroute die hier parallel aan loopt, met zicht op de diepe afgrond. Aan het eind kunnen we helaas de weg niet op, omdat hier een vangrail staat. We gaan terug om alsnog de tunnel te pakken.

Bij het meer knabbelen we pinda’s en bananenchips. Ik ben de wind zat en deze weg vind ik niet bijzonder; het is een bredere weg met het nodige autoverkeer. Deze ademt een andere sfeer dan een smal (onverhard) weggetje. Er is meer bewolking en het is frisser. Mijn hemdje heb ik al eerder verruild voor een shirt en inmiddels een fietsjasje. Michiel wijst me erop dat we ook flink hoger zitten. Als ik de arm- en beenstukken, regenjas en handschoenen aan doe, voelt het al een stuk comfortabeler.

Het vervolg van de route gaat op en neer. Na de knabbelpauze heb ik weer wat meer energie; daarvoor had ik het lastiger. We maken wel kilometers, al vind ik het niet vlot gaan. Michiel vindt dit de meeste gemene weg tot nu toe.
Bij een hotel gaan we stilletjes onze flessen bij het toilet vullen en informeren we naar campings in de nabije omgeving. De medewerker weet niet of de caravancamping die we verderop (op de kaart) zien staan ook voor tenten is. Hij geeft ons telefoonnummers van 2 locaties. De caravancamping blijkt verlaten en het toiletgebouw is in onderhoud.

Bij een keuzemoment voor de vervolgroute, kiezen we voor de gele, hopelijk wat rustigere, route, al is de weg waarop we zaten de laatste kilometers ook inmiddels wat rustiger geworden. Deze keuze betekent dat we lang zullen doorfietsen of gaan wildkamperen; op deze route is geen camping, op de vervolgroute via de andere weg wel.

We houden onze ogen open voor een geschikte kampeerplek. Eerst willen we nog wat verder deze weg op. Soms zijn hier steile beboste hellingen langs het meer. Na een tijd komen we bij een verbreed dal en bij een huis waar een auto staat kloppen we. De oudere dame ziet en hoort ons niet; we willen niet op het raam kloppen om te voorkomen dat ze schrikt.

Kort spreken we een Belg die met een busje rondreist. Het begin te druppelen. Bij een huisje informeren we bij een Duitser. Hij geeft aan dat we verderop, bij een blauw huis aan de linkerkant van de weg, kunnen wildkamperen. We zien wel een pad, slaan dat in, maar denken niet dat dat wat is. Dan zien we een veld met bloemen, planten en gras. Dit lijkt ons voldoende geschikt. We zetten de tent op, eten iets eenvoudigs, waarvoor we niet hoeven te koken, en zijn in het gezelschap van veel kriebelvliegjes. Het is knus. De wind waait wel. Hopelijk wordt dat niet teveel, want dat maakt het slapen nog onrustiger.

Maandag 3 juli
Ondanks dat we wild kamperen, slaap ik redelijk. Soms hoor ik het geklapper van de wind, maar draai me dan lekker om. Ik droom wel over wildkamperen, waarin familie en vrienden als wisselende personages voorkomen.

De zon schijnt, al is het is nog wel fris door het tijdstip en de wind. Iets verderop zien we een caravan staan, blijkbaar hebben die mensen hier ook de nacht doorgebracht. Anderhalve kilometer verderop strijken we neer bij keien langs de weg voor ons ontbijt.
De 20 km naar de grotere weg gaat tamelijk vlot en is grotendeels dalend. De weg is rustig; rustiger dan ik gisterenavond nog durfde te hopen, toen er toch meer verkeer langs kwam dan ik had verwacht.

Voor een stille, mogelijk verlaten kapperszaak -wel vaker lijkt hier iets vergane glorie-, turen we op de kaart, doet Michiel zijn lenzen in en smeren we zonnebrand. We moeten nu 7 km over de grotere weg. Ondanks dat het goed te doen is, zet ik het tempo erin om lekker vlot weer van deze weg af te kunnen. Het weggetje richting Kviteseid, door mij als “Kievitsei” bestempeld is rustig, heel rustig. Tot de dorpsgrens, ongeveer 15 km verderop,  passeren vijf auto’s. Het erg mooie weggetje gaat deels door dennenbos, soms langs weiland en langs een rivier.

Aan het begin van Kviteseid maken we een rondje rond de stenen kerk, die je hier niet vaak ziet. Het toilet ziet er, zoals vaker, keurig uit.
Het is een gezellig dorpje aan het meer met een aantal leuke winkeltjes.
Ik heb zin in softijs, dat we niet kunnen vinden. Dan maar geen ijs. Michiel heeft zich al op ijs verheugd. Een knus cafeetje aan het water vinden we te prijzig. Ik duik de Kiwi in en we smullen daarna ieder van twee bescheiden cappuccino-choco magnums, nog gevolgd door brood en onze favoriete karnemelk.
Het is hier heerlijk zitten in de zon met de geluiden van vogels en andere mensen die hier rondhangen. Twee zwanen zoeken eten in het water.

Na deze uitgebreide stop vervolgen we onze route; op de kaart is de weg veranderd van geel naar oranje, wat meestal meer verkeer betekent. Toch is dit ook nog goed te doen.

Na een flinke klim van ruim 300 meter, die tamelijk vlot gaat, dalen we af naar het volgende meer. De 20 km naar het pontje fietsen we in stevig tempo, ondanks dat er wel wat tegenwind is. Intussen is het 16.15 uur en volgens het schema kunnen we om 17 uur over. Gelukkig blijkt de pont eerder ook al te varen wat extra prettig is nu het begint te druppelen; dan vlot op een camping aankoersen is wel fijn. De schipper is een Nederlander die hier 16 jaar woont. Hij had een handel in biologische planten en is afgekeurd.

Gelukkig valt de bui mee. Eenmaal op de camping, regent het weer en koken we eerst. De eigenaar, die beperkte tijden aanwezig is, betalen we. Als we zover zijn dat we de tent willen opzetten, regent het weer. Zullen we dan maar eerst douchen… het is alweer droog. En als we de tent opzetten regent het weer. Kortom, een wisselvallig einde van een dag met prima fietsweer en dito benen.

Vanwege de steekvliegjes lezen en typen we in de warme keuken.

Dinsdag 4 juli
Helaas zijn ’s-ochtends de steekvliegje ook al wakker, dus vluchten we de keuken weer in voor het ontbijt. De eerste 10 km gaan met niet zo makkelijk af; ik zou wel weer willen eten, maar geef er niet aan toe. Dat doen we wel in Treungen, nog eens 10 km verderop. Wel is het een heerlijk rustig weggetje langs het meer. Bij een camping krijgen kindjes fietsles; er staan pionnen en ze moeten over een plank fietsen.

Ik loop de winkel binnen met het idee eieren te halen, zodat we zo een omelet kunnen bakken. Er blijkt ook aardappelsalade en muesli. Ik wenk Michiel, die bij de fietsen staat, en we besluiten voor het laatste te gaan. Aan het water vinden we een prima lunchplek met picknicktafel en een keurig openbaar toilet in de buurt; handig om straks de pan na gebruik af te spoelen.

Via de campingeigenaar weten we dat hier zuidwaarts een fietsroute over een oude spoorlijn is, die we m.b.v. de GPS vinden. Een heerlijk rustig en grotendeels goed pad door dennenbos met soms een vennetje. Soms is het pad modderig en verderop rul.
Op de gps zien we een wit weggetje, parallel aan de overkant van de geasfalteerde weg, lopen.

Mensen die ons zien, zullen ons wel voor gek verklaren, dat we niet gewoon van een glad asfaltje genieten, maar we hebben zin zonder ander verkeer te fietsen. Zowel op de kaart als in de GPS zien we kleine weggetjes met elkaar in verbinding staan, dus pakken we die kleinere wegen en paden.

Op een grote vlakke rots in het water komt de zak met pinda’s weer tevoorschijn. Wat een heerlijk weer en wat een rust. De omgeving kenmerkt zich door met name bos afgewisseld met soms een veldje wollegras of weiland. Het is relatief vlak, met soms een steil stukje. De kwaliteit van de paden is tamelijk goed en tweemaal moeten we om een slagboom heen. We komen uit bij een mooi meer met ook hier weer eilandjes in het water.

In de verte horen we gerommel; waarschijnlijk is het een vrachtwagen die ergens bezig is. In dit deel van het land is regelmatig sprake van bosbouw en steengroeves. Als beloning zien we op de laatste kilometer van het onverharde deel, na ruim 60 km, waarvan ongeveer 40 km onverhard, hertenmoeder met baby “Bambi”.

Verderop hangen heel donkere wolken; nu realiseren we ons dat we net het gerommel van onweer hoorden. Het weggetje dat het meer doorkruist is weer geasfalteerd; hier doet het Michiel denken aan de Zweedse meren. Apart die luchten met rechts van ons strak blauw met soms een wolkje en links van ons -dus noordoostwaarts- een donkere, zeer dreigende lucht.

Buiten schuift net een gezin aan tafel, schuin onder de dreigende lucht. We vragen of ze denken dat het onweer hier komt. Eerst reageren ze ontkennend, dan bevestigend; het Engels is beperkt.

Slechts 5 minuten later horen we, net als we een open veld bereiken, het onweer dichterbij. Het lijkt wijsheid nu een schuilplek te zoeken en dus gaan we terug richting de spoorbrug, net achter ons. Daar vlakbij zie ik echter een huis waar auto’s geparkeerd staan; er zal vast volk zijn.

We bellen aan. De vrouw geeft aan dat we wel onder het afdak mogen afwachten. De voordeur stond al open en de sigarettendamp komt ons tegemoet. Grote hagelstenen vallen nu uit de lucht; als Michiel zijn fietshelm pakt, krijgt hij er 1 hard op zijn arm.

Ik vraag me af wat ik zou doen als ik hier woonde… fietsers buiten laten staan onder het afdak? Later nodigt ze ons uit binnen te komen en krijgen we wat te drinken. Het vriendelijke gepensioneerde echtpaar, het zijn verstokte rokers, woont hier 40 jaar. Op de kaart laten we zien wat we reeds gefietst hebben. Komend weekend is er botenrace in Tvedestrand, een plaatsje dat we morgen rechts van ons zullen laten liggen.

Een half uur later zitten we weer op de fiets; de damp komt van de weg af. De oranje weg, waar we op uit komen, is niet al te druk. Aan het eind pakken we weer een kleiner weggetje dat volgens de borden langs het ijzermuseum en een romantisch park gaat.

Na een klim arriveren we op een -qua aantal gasten- rustige -en tot nu toe prijzigste (meer dan 20 euro!)- camping, die langs een drukkere autoweg ligt.

Na een maaltje met aardappelsalade en groenten, lopen we 300 meter naar het tankstation, waar we genieten van heerlijk softijs met karamelkorrels.